oktober 2017

Dit was de week (27)

waarin ik atelierbezoek kreeg van Tara (11 jaar). Op het kinderboekenbal heeft ze Naar het noorden gekocht. Een mooi boek, gevoelig zei ze. Ze gaat er een spreekbeurt over houden en heeft gevraagd of ze mij mag interviewen. Dat mag, maar eerst laat ze me haar tekeningen zien. Vogels heeft ze getekend net als Jaap uit Naar het noorden.
Harrie (‘ik ben niet haar vader’) is met Tara meegekomen. Hij filmt het gesprek, dat Tara later zelf gaat monteren.

Het gebeurt niet vaak dat kinderen vragen langs te komen om mij te interviewen, maar ik zeg altijd ja. Ik ben ook een Tara geweest.
Toen ik een jaar of vijftien was schreef ik interviews voor het clubblad van rksv GDA uit Loosduinen. Eerst met mensen van de club zelf, eerste elftalspelers, de trainer, de geestelijk adviseur, tot ik besloot mijn terrein uit te breiden en bekende voetballers ging interviewen. Het werd geen succes.
Ik stuurde talloze verzoekbrieven naar diverse  trainers en voetballers, waaronder Piet Keizer van Ajax, mijn jeugdheld. Als ik al een reactie kreeg waren dat afwijzingen, met uitzondering van Henk Wery, van Feyenoord. Hij wilde mij wel ontvangen. ’s Avonds bij hem thuis.
Geweldig!
Ik nam mij voor om later, als ik net zo beroemd zou zijn als Henk Wery en kinderen mij wilde interviewen, ik dan altijd ja zou zeggen.
En dus zei ik ja tegen Tara.
Dankzij Henk Wery.

PS: Het interview met Henk Wery is uiteindelijk niet doorgegaan. Ik reed mee met de auto van Leo van de kantine, onderweg kregen we een lekke band, en het duurde zo lang voor we weer door konden rijden dat het inmiddels al zo laat was geworden, dat ik niet meer bij Henk Wery durfde aan te bellen…

Dit was de week (26)

velo 1 seizoen 1938-1939

waarin ik bij Antiquariaat Hinderickx & Winderickx op de Oudegracht in Utrecht een papieren editie kocht van De Utrechtse Boekhouder, tijdschrift voor Utrechts literair erfgoed, en mijn oog viel op een gestencild dichtbundeltje van Sjoerd Kuyper: De dichter zingt, nummer 046 van de reeks Amsterdamse Cahiers, een uitgave van C.J. Aarts uit 1987. 
Voor vijf euro mocht ik het boekje meenemen. Het was mooi weer en op het terras van Carla’s Conditorie las ik de aan Margje opgedragen gedichten. Zeven in totaal, waaronder Haar luister, een liefdeslied voor Margje dat besluit met deze strofe:

Ons lichaam is gebleven
In aarde oud en warm.
De woorden zijn  gaan leven
Waarmee ik ons omarm.

De woorden omarmen hen nog altijd. Vorig jaar verscheen bij Hoogland & Van Klaveren Mooi Leven, een bundel liefdesgedichten met schilderijen van Margje. Daaruit de laatste strofe van het gedicht Mijn lief is op een ander eiland:

De zee ligt stil onder de zon.
De storm voorgoed achter de rug.
Een vissersbootje poetst het zilver.
Morgen komt mijn lief terug.

Waarin ik zomaar opeens mijn vader zag staan op een elftalfoto van VELO 1, seizoen 1938-1939. De foto stond  in een jubileumboek ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de rooms-katholieke sportvereniging VELO (Val Aan en Loop Op) uit Wateringen, het dorp waar mijn vader is opgegroeid.
Mijn vader heeft er niet lang gevoetbald, wel bleef hij donateur en bezocht hij de thuiswedstrijden van VELO. Ik ben vaak met hem mee geweest achterop de brommer, een Berini M-21 , die stalde hij bij zijn ouders, waarna we lopend, handje in hand, naar de Harry Hoekstraat liepen waar het VELO-terrein destijds lag.
Mijn vader volgde de wedstrijd, ik maakte een rondje om het veld en vroeg  aan de sigaarrokende supporters  of ik het sigarenbandje mocht hebben voor mijn verzameling.
Drieëntwintig is mijn vader op de foto, vrijgezel nog. In de oorlog zou hij de vrouw ontmoeten die mijn moeder zou worden.

Waarin ik keek naar een aflevering van De kist van de EO. Marjan Berk was te gast, ze vertelde interviewer Kefah Allush  over de vroege dood van haar moeder, en ook over haar vader die geen vader voor haar was.
Vier zonen heeft ze: ‘Alle vier leuke vaders.’ Ze heeft ze een keer alle vier op Moederdag een bloemetje gestuurd: ‘Ik zei altijd, ik wou dat jullie mijn vader waren geweest.’

Kinderboekenweek 2017: Wat nu?

Zondag ging ik nog één keer voor de Kinderboekenweek op pad en las ik voor op de NS-kinderboekenruil, eerst op Amsterdam-Centraal en daarna op Utrecht-Centraal. De NS zijn hoofdsponsor van de Kinderboekenweek. Vandaar.
Toen ik in Amsterdam aankwam, vreesde ik het ergste: wat een chaos, moet ik hier voorlezen?
Het viel mee. Ik kreeg een zendertje om, de kinderen –meest jonge kinderen, niet ouder dan 6 jaar-  kregen een koptelefoon op, waarna ik in een nagebouwde treincoupé mijn gedichten en liedjes in hun oor fluisterde.
Van werkelijk contact met het publiek was geen sprake.
Hoe anders was het op zaterdag in SpeelBoek in Amersfoort.  Ik zat in de winkel aan een tafel achter mijn boeken, uitgestald op een blauw kleedje, vrolijk bedrukt met letters. En niet zomaar een kleedje, een kleedje, dat Dorothée en John, de eigenaars van SpeelBoek, hadden overgehouden aan een vorig leven, toen ze beiden werkzaam waren bij Ikea, en waar ze elkaar hebben leren kennen.
Telkens als er een schrijver wordt uitgenodigd, halen ze hun Ikea-kleedje tevoorschijn, dat ze nooit weg mogen doen, hooguit als schenking aan het Literatuurmuseum, want op dit kleedje signeerden jeugdliteraire reuzen Paul Biegel en Roald Dahl hun boeken.
En afgelopen zaterdag deed ík dat, ruim twee uur lang, ik signeerde ging op de foto en had fijne gesprekken met klanten van jong tot oud, mensen voor wie mijn boeken nieuw waren, maar ook veel die me al kenden van mijn verhalen van Keizer, mijn gedichten van Het regent zonlicht en mijn liedjes van Roltrap naar de maan.
Voor ik naar Amersfoort afreisde was ik te gast bij radioprogramma de Taalstaat, waar Jan Beuving me vroeg of Naar het noorden ook een lied had kunnen zijn. Dat had gekund, antwoordde ik na enig nadenken. Ik had een lied in de traditie van Koos Speenhoff kunnen schrijven, zei ik. Een brief van Jaap aan zijn moeder, waarin hij verslag doet van zijn verblijf bij de Friese familie Schut, gevolgd door een antwoordbrief van Jaaps moeder.
Wie weet komt het er ooit van, als ik gevraagd wordt Naar het noorden te bewerken voor theater of film, het zou zich daar goed voor lenen.

Vanmorgen sprak een buurman me aan op straat. Ik had het vast een stuk rustiger nu de Kinderboekenweek voorbij was.
‘Wat nu?’ vroeg hij.
‘Schrijven!’ zei ik.
Ik kan niet anders. 

Kinderboekenweek 2017: Winning mood

Eenmaal de Gouden Griffel op zak, dan win je ook alles, dacht ik toen maandagavond om half elf de wedstrijd was afgelopen. Lang zag het ernaar uit dat we met ons zaalvoetbalteam klop zouden krijgen, we stonden binnen vijf minuten met 3-0 achter, maar uiteindelijk wonnen we 8-7. Een nipte overwinning, zoals dat in voetbaljargon heet.
Vanavond is de trekking van de Staatsloterij, kom maar op met die talloos veel miljoenen. Ik ben in de winning mood.
Een bestemming heb ik al. Annette en ik huren een werkruimte bij ons om de hoek, een voormalige winkel in gordijnen en tapijten, en wat zouden we het pand graag willen kopen en verbouwen tot Huis van de Kunst, met een appartement waar schrijvers en illustratoren zich een tijdje terug kunnen trekken om in alle rust te kunnen werken, met een ruimte om huiskamerconcerten en voorleesvoorstellingen te organiseren.  
Vandaag las ik voor aan drie groepen 7 in bibliotheek Nieuw-Waldeck, op nog geen kilometer afstand van mijn ouderlijk huis. Ik vertelde over mijn verhalenvader en zong De leugenaar uit Roltrap naar de maan, het prentenboek naar de gelijknamige cd van Klein Orkest en ik vertelde hoe ik op het idee ben gekomen om Naar het noorden te schrijven. Dankzij een documentaire uitgezonden door Andere tijden over de Hongerwinter waarin duizenden kinderen veelal met binnenschepen vanuit de grote steden in het westen ondergebracht werden bij boeren in Friesland en Groningen.
Ik liet ze op groot scherm een samenvatting zien van de documentaire. Bij het bezoek van de laatste groep was de bibliotheek geopend voor publiek en terwijl de kinderen van de Eerste Nederlandse Montessorischool beelden van de Hongerwinter bekeek, zat een moeder met kind op schoot van Waar is de taart? van Thé Tjong Khing te genieten.
Morgen ga ik naar kinderboekwinkel De Toverlantaarn in Leeuwarden. Ik moet niet vergeten de Gouden Griffel mee te nemen, de kinderen vandaag waren zeer teleurgesteld dat ik hem niet bij me had.
Maar eerst vanavond de jackpot in de Staatsloterij winnen.

Kinderboekenweek 2017: Aleks en Linde

Het was een vrolijke chaos afgelopen zondag bij DAAR , flexwerkplek in Utrecht van onder andere vormgeefster Leentje van Wirdum. Annette en ik werken graag met haar samen, ze is niet alleen aardig maar ook heel goed, een eeuwigfijne combinatie.
Het regent zonlicht, een prentenboek met gedichten en een cd, was het eerste boek van ons dat ze vormgaf en ik herinner me nog dat ze met allerlei soorten papier aankwam en ons vroeg op welk papier wij ons werk het liefst gedrukt zagen. Dat hadden we nog nooit meegemaakt.

Destijds werkte Leentje nog in vaste dienst bij Lemniscaat, nu werkt ze flex als zzp’er in Utrecht en heeft ze ons gevraagd om in de Kinderboekenweek in hun werkruimte te komen voorlezen, vertellen en tekenen.
Er kwamen ruim vijftig mensen opdagen, volwassenen en kinderen, waarvan Aleks, een meisje van ik schat vijf jaar, halverwege ons optreden de show stal. Ik zong Zakdoekje leggen, een liedje uit De Liedjesalmanak waarop Aleks opsprong en zei dat ze ook een herfstliedje kende. Een liedje over bomen in de wind en vallende blaadjes. Voor ze ging zingen oefende ze eerst met het publiek de bewegingen die bij haar liedje horen. Ze stak haar armen in de lucht en begon ermee te zwaaien van links naar rechts. Ze kreeg iedereen mee en in een mum van tijd veranderde de flexplek in een winderig herfstbos.

Minstens zo goed als Aleks was later op de dag Linde, leerling van  groep 8 van de Krullevaar. Zij interviewde mij over Naar het noorden, maar vooraf  vertelde ze wat ze van het verhaal vond: ‘Het was een heel mooi verhaal, en ook droevig, maar het was vooral zo echt, alsof je zelf in de Hongerwinter zat.’
Ze zei ook nog dat het verhaal spannend was, dat ze benieuwd was hoe het verder ging en daarom steeds door wilde lezen. Ik moest meteen denken aan Volkskrantrecensent Pjotr van Lenteren, hij vond Naar het noorden niet spannend. Waarschijnlijk heeft hij een oppervlakkiger invulling van het begrip spannend en hadden er meer dooien moeten vallen, da’s pas oorlog.
Tja.    

Kinderboekenweek 2017: Goud!

Toen ik donderdagochtend wakker werd dacht ik even dat ik opgebaard lag, zoveel bloemen stonden er in de kamer, gekregen van vrienden, buren en relaties om me te feliciteren met de Gouden Griffel voor Naar het noorden.
Dinsdag kreeg ik de prijs uitgereikt in de stadsschouwburg van Amsterdam tijdens het Kinderboekenbal.
Vooraf werd ik door het jeugdjournaal geïnterviewd, samen met medekanshebber op het goud en kersverse moeder Anna Woltz, met wie ik afsprak dat mocht zij ook dit jaar de Gouden Griffel winnen, ik haar baby zou krijgen.
Ze mocht Benjamin houden. Het goud was voor Naar het noorden.

De dag erop liet ik de griffel zien aan de kinderen van de Koos Meindertsschool in  Loosduinen. Traditiegetrouw open ik mijn Kinderboekenweek op ‘mijn school.’  
De kinderen wilden vooral weten of de griffel van echt goud was en een van de kinderen riep uit: ‘Nu is onze school beroemd, nu wil iedereen op onze school zitten.’

Na het bezoek aan school was er voor boekhandel Kroon nog een korte ontmoeting met oud-dorpsgenoot Frans van Gaalen, de man achter de besloten Facebookgroep Geboren in Loosduinen. Hij heeft onlangs onder de titel Plat Glas een bundel Loosduinse verhalen samengesteld en het leek hem leuk mij in ruil voor Naar het noorden een exemplaar van zijn boek te overhandigen. ‘Maken we er meteen een mediamomentje van,’ had-ie gezegd. De redacteur van de Loosduinse Krant kon helaas niet komen. Geen nood, zijn vrouw nam de foto en Frans zelf schrijft een stukkie over onze boekenruil.

’s Middags stond er in kinderboekwinkel Alice in Wonderland een optreden gepland, maar eerst gingen we poffertjes eten in Seinpost, op de boulevard van Kijkduin. Dachten we. Seinpost was gesloten, de boulevard gaat binnenkort op de  schop. Een dompertje, ik had een koud biertje bij de poffertjes willen bestellen en willen proosten op mijn ouders, die dit jaar allebei 101 zouden zijn geworden als zij niet vroegtijdig Mijnheer de Dood op visite hadden gehad.

Donderdag staakten de leerkrachten en ging een afspraak in de bibliotheek van Horst niet door, zodat ik een vrije dag had. Het kwam mij niet slecht uit. Tijd om de buren uit te nodigen om taart te eten.
Bij Wammes bestelde ik de grootst mogelijk chipolatataart, die de bakker versierde met de juichende tekst Gouden Griffel. Uit de losse pols.

Vrijdag en zaterdag heb ik doorgebracht achter de computer, niet om te schrijven, maar om al die aardige mensen die mij hebben gefeliciteerd persoonlijk te bedanken.
Eén reactie wil ik hier graag noemen, die van Frans Nieuwenhuis. Tijdens de Hongerwinter is hij net als Jaap in mijn boek per binnenschip naar het noorden gebracht.
November vorig jaar heeft hij het eerste exemplaar in ontvangst genomen,
Hij schrijft: Vanmorgen las ik in Trouw dat jij de Gouden Griffel hebt gekregen voor Naar het Noorden. Zeer terecht en hartelijk gefeliciteerd! Bij de aanbieding van het eerste exemplaar heb ik er al mooie dingen over gezegd en het doet me deugd daar vele anderen dat nu feestelijk met mij eens zijn. Om je eerlijk de waarheid te zeggen, voel ik mijzelf er ook een beetje door gevleid.  Geniet van je succes!’