januari 2018

De nationale voorleesdagen: Janken

Vijf jaar geleden was het Jaar van het Voorlezen en ter gelegenheid daarvan  stelde schrijver Bart Moeyaert een lijstje voorleeswensen op, beginnend met Wens jezelf een vader die voorleest wat hij mooi vindt en eindigend met Wens jezelf een boek. Tussen de wensen door doet hij uitspraken over voorlezen, waaronder Horen voorlezen doet voorlezen, een uitspraak die ik  uit eigen ervaring van harte onderschrijf.

Ik zat in de vijfde klas van de lagere school bij meester Tilleburg die zo mooi uit Alleen op de wereld kon voorlezen, dat ik het bij de droevigste passages niet droog hield.
Iemand met een boek aan het huilen krijgen, dat wilde ik ook. Ik besloot de proef op de som te nemen en las mijn broertjes Aad en Wim voor uit Jan en zijn ballon, van To Hölscher, een deeltje uit de serie Kleine vriendjes van Onze Lieve Heer, een heerlijk smartlappenverhaal over een jongetje uit een straatarm gezin, waarvan de aan tering lijdende vader op het randje van de dood zweefde.
Aadje was geen probleem, dat was een sentimentele dweil, nog altijd, die schiet al vol bij een Douwe Egberts reclame, maar Willempie, de jongste, zul je altijd zien, was een taaie. Bij hem moest ik alles uit de kast halen om hem aan het janken te krijgen, maar het lukte.
 
Woensdag 24 januari gaan de Nationale Voorleesdagen van start en wordt er door het hele land voorgelezen uit Ssst! De tijger slaapt, Prentenboek van het Jaar, geschreven en geïllustreerd door Britta Teckentrup. Het is één van de titels uit de Prentenboekentoptien, samengesteld door jeugdbibliothecarissen. Een mooi lijstje, maar het zijn zonder uitzondering prentenboeken voor de allerkleinsten, voor beuters, peuters en kleuters. Zeg je daarmee niet dat voorlezen alleen geschikt is voor kinderen die zelf nog niet kunnen lezen?
Ik pleit voor een voorleesboekentoptien met boeken voor álle leeftijden, van de allerkleinsten tot kinderen van groep acht, en liefst nog ouder. Voor voorlezen kun je niet oud genoeg zijn. Mooie voorleesboeken genoeg. Wat dacht je van de integrale versie van Alleen op de wereld?  Al was het maar om de kinderen aan het janken te krijgen.

Column, eerder gepubliceerd op Leesplein 

OPEN OGEN: Dit was de week (35)

Waarin Arjan Peters in de Volkskrant Open ogen besprak, de nieuwste dichtbundel van Remco Campert, geëngageerde en hoogst actuele gedichten die ‘zich ergens onderweg tussen protest en poëzie ophouden.’ 

Ik zag een jongetje zitten
verwezen op een stoeltje
bedekt met bloed
en asgrauw puinstof
onder een huis weggehaald
met bommen bestookt
door Assads moordenaarstroep
dit gedicht helpt hem niet
maar het is genoteerd

De oude dichter is 88 jaar, zijn fysieke wereld niet groter dan zijn huis, of hooguit een schuifelend blokje om. Hij kijkt tv en leest de dood & verderfberichten in de krant. De Tweede Wereldoorlog echoot in de beelden en berichten door, hij herinnert zich Jan Campert, zijn vader.
Al zal het Camperts tijd wel duren, hij kijkt niet weg, maar noteert.
Met open ogen.

EERSTE PERSOON: Dit was de week (34)

Waarin ik in Trouw een interview las met de Poolse schrijver Wieslaw Mysliwski. Hij schrijft zijn boeken altijd in de eerste persoon, vertelt hij Kenneth van Zijl, de interviewer, ‘want als iemand praat is hij de enige die de waarheid kan spreken- ook als hij liegt of bedriegt, fabuleert of zaken ontkent.’  Een paar dagen ervoor had ik het verhaal waaraan ik werk, omgeschreven van de derde in de eerste persoon, wat meer behelst dan alle hij’s vervangen door ikken. Ik had tot die omzetting besloten tijdens het lezen van De acht bergen van PauloCognetti, een vader en zoon verhaal, geschreven in de eerste persoon, de zoon Pietro.
Waarom ik mijn boek-in-wording  niet meeteen in de eerste persoon heb geschreven? Eigenlijk alleen maar omdat mijn twee vorige boeken, De zee zien en Naar het noorden ook in de ik-vorm had geschreven. Ik wilde weer eens wat anders, nog steeds, maar niet met dit verhaal, dat geen vertelling is, maar een aaneenschakeling van scènes uit het leven van een broeierige jongen, een gekooide vogel die zijn vleugels wil uitslaan. Aan hem het woord.

VOORUITBLIK 2018

Nog even over 2017. Net als voorgaande jaren heb ik De avonden van toen nog Simon van het Reve herlezen, elke dag een hoofdstuk, beginnend op 22 december, de dag waarop Frits Egters, de held van het verhaal, ontwaakte op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66.
Ik nam zijn dromen voor lief, en liep met hem mee van avond naar avond tot ik gisteren aan kwam bij hoofdstuk X,  oudejaarsavond:  ‘Waarom lig ik hier, alsof ik uitgeput ben?’ (…). ‘Dit is de laatste dag van het jaar,’ dacht hij, ‘tot middernacht is het nog December van dit jaar. Onmiddellijk daarop is het eerste Januari. Daartussen is niets. Het is koud hier.’
Het is nu halverwege  de eerste januari, de oude kalender (Frits van Egters zou kálender lezen, met de klemtoon op de eerste lettergreep) ligt in de papierpak en is vervangen door de nieuwe.  Het jaar 2018 ligt er nog woest en ledig bij, maar er is hier en daar al gezaaid. Wat hoop ik het komend jaar te oogsten?

Nieuwe boeken
September  vorig jaar heb ik op Terschelling een begin heb gemaakt aan Er kwam geen engel aan te pas (werktitel) . Een goeie plek om aan het verhaal te werken, het  speelt zich af op een eiland.
Of het een boek voor jongeren of voor volwassenen wordt, geen idee. Eerst het verhaal maar eens schrijven. Hopelijk ligt het najaar 2018 in de winkel, maar het zou ook voorjaar 2019 kunnen worden.
Verder kijk ik uit naar De zee van meneer Max, een kunstprentenboek over de Duitse impressionist Max Liebermann, geïllustreerd door Annette Fienieg. Het verhaal is zo goed als af, de illustraties bijna. Eind maart wordt het boek gepresenteerd, aan de vooravond van een grote Max Liebermann tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum.
Ik kijk ook uit naar Lucas in de sneeuw. Het boek was er al, maar werd afgelopen jaar door Lemniscaat verramsjt, doodzonde, maar begin februari krijgt het boek van Hoogland & Van Klaveren een tweede kans, met extra  illustraties, sjabloondrukken,  van Annette Fienieg.
En dan verschijnt komend jaar ook nog Er was eens een huis, mijn vertaling van The house that once was, van Lane Smith (illustraties) en Julie Fogliano (tekst), een prentenboek over twee kinderen die een verlaten huis ontdekken: Er was eens een huis, diep in het woud. Ooit was het nieuw, nu is het oud.

Lezen

Er staan voor het komend jaar alweer een aantal lezingen gepland. Twee lezingen springen er uit: een voor de leerlingen van Havo 2 van het Onze Lieve Vrouwe Lyceum in Breda en een voor  studenten aan de universiteit van Keulen.

Eetlezen
Zeven keer nodigden Annette Fienieg en ik  collega-schrijvers uit bij ons aan tafel. In ruil voor drank en spijs vragen wij hen tussen de gangen door aan elkaar voor te lezen. Ook het komend jaar gaan we door met onze literaire eetsalon. Tot nun toe nodigden we alleen schrijvers uit, we denken er over voor een van de komende eetlezingen ook illustratoren uit te nodigen.

Kamer 23
In januari gaat in onze winkel- en werkruimte aan de Mayerlaan in Utrecht KAMER  23 van start. Twee schrijvers worden voor publiek geïnterviewd door Len Borgdorff,   oud-docent Nederlands, hoofdredacteur van literair tijdschrift LITER, dichter en columnist.
De eerste aflevering is op zondag 28 januari. Te gast zijn Annet Schaap en ik zelve. Het ligt in de bedoeling om eens in de zes weken een KAMER 23 te organiseren, met telkens twee schrijvers, bijvoorkeur een schrijver van kinder- en jeugdboeken,  in combinatie met een schrijver voor volwassenen.

Tot zover. Als dat maar allemaal in één jaar past. Het is al bijna 2 januari, nog 364 te gaan. Moedig voorwaarts.