april 2019

Charlie Savage

Het was de laatste dag van een week Berlijn, morgen nam ik de trein terug naar Utrecht en omdat ik door mijn leesvoer was liep ik op de Kastanienenallee een boekhandel binnen.
Ik ging niet zelf naar een boek op zoek, ik ging vragen naar een recent verschenen Duits boek wat ik unbedingt zou moeten lezen.  
Helaas, ik bleek Love Story of Berlin te zijn binnengestapt, een boekhandel  waar voornamelijk Engelse titels werden verkocht.
Ik wilde alweer naar buiten gaan toen mijn oog viel op Charlie Savage, het nieuwste boek van Roddy Doyle, een Ierse schrijver van wie ik al zijn boeken heb gelezen, op dit boek na.
Roddy Doyle verstaat de kunst om met humor en empathie de levens van gewone mensen te beschrijven, in dit geval dat van Charles Savage, een man van middelbare leeftijd die van zijn vrouw, bier en voetbal houdt en tegen de fysieke en mentale grenzen van de ouderdom aanloopt.
Ik heb het boek nog niet helemaal uit, maar een van de ontroerendste scènes uit het boek is die waarin de hoofdpersoon aan het sterfbed zit van zijn oom Terry:  It’s amazing, really. I don’t think he knows who I am any more and I don’t think he can really see. But I just asked him to name the England team that won the World Cup in 1966, and he almost sat up.
- In goal, Gordon Banks
Alle namen van het kampioenselftal weet hij op te noemen, en hun positie in het veld.
Zo’n sterfbed lijkt me ook wel wat, ik weet nauwelijks meer wie ik ben, maar op de rand van mijn bed waaruit ik niet meer opsta zit mijn zoon en hij vraagt me de opstelling van Ajax in de finale van de Champions League tegen Barcelona (uitslag 1-1, Ajax wint na strafschoppen).
- In het doel Onana
Zover is het nog niet, mijn bed is nog geen sterfbed en Ajax staat nog niet in de finale.  En in het ongelukkige geval dat Ajax door de Spurs wordt uitgeschakeld, dan spreek ik met mijn zoon af dat hij, als de tijd daar is, vraagt naar de opstelling van Ajax in de legendarische Europacupwedstrijd in de mist in 1966, tegen Liverpool (uitslag 5-1).
- In het doel: Gert Bals

Woutertje Pieterse Prijs

Donderdag 11 april werd in De Brakke Grond de Woutertje Pieterse Prijs uitgereikt, Annette Fienieg was genomineerd voor haar illustraties in Lepelsnijder van Marjolijn Hof, en ik mocht met haar mee.
Annette en Marjolijn hadden een paar dagen voor de uitreiking een jammer-maar-helaas telefoontje van de organisatie gekregen, net als de andere net-niet-winnaars van de prijs voor het beste kinderboek van 2018. Ook de winnaars waren tevoren ingelicht met een net iets ander telefoontje, zodat iedereen wist waar hij of zij aan toe was en dus niet in spanning hoefde te zitten.
Aan het eind van de middag, aan mekaar gepraat door Hans Smit, gaf juryvoorzitter Noraly Beyer de winnaars prijs aan de openbaarheid: Kathleen Vereecken en Charlotte Peys, resp. schrijver en illustrator van Alles komt goed, altijd.
Voorafgaand zong Goslink het Rooverslied, hield Liesbeth Colthof de Woutertje Pieterse lezing en waren er filmpjes te zien van alle genomineerden en hun boeken.
Een mooi, inhoudelijk programma waar de organisatie van de Gouden Griffel haar voordeel kan (en wat mij betreft moet) doen. Een bijeenkomst waarin de jeugdliteratuur serieus genomen werd, die niet opgeleukt hoefde te worden door de dansrobotjes van Kinderen-voor-kinderen, zonder achterlijke verkleedpartijen, en zonder pijnlijk kinderachtige toneelstukjes als zou het koffertje met de prijs gestolen zijn! En ook geen chocoladefonteinen voor de kinderen, die waren er niet, goddank. Ik hoop ook dat ze bij de komende Griffel- en Penseeluitreiking niet worden uitgenodigd. Laat het een middag of avond zijn voor de schrijvers zelf en geef de kinderen hun eigen feestje als de winnaars van de Kinderjury bekend worden gemaakt. Dat is wel zo duidelijk.
Dan nog dit: meteen na de bekendmaking ging NRC-recensent Thomas de Veen los op Twitter, hij was het niet eens met de jury, hij vond het winnende boek het saaiste van de lijst. Dat is zijn goed recht, maar te stellen dat met de keuze van Alles komt goed, altijd  ‘de jury aantoont geen verstand van jeugdliteratuur te hebben,’ klinkt mij een tikkeltje te arrogant, alsof alleen De Veen weet wat goed is. Het was ook niet chic voor de winnaars, en zijn suggestie dat de woorden van de jury en het zoet van de geldprijs op zouden wegen tegen zijn zure commentaar, daarmee gaf hij aan weinig begrepen te hebben waarom schrijvers schrijven.