februari 2020

VERASSING Dit was de week (43)

waarin het Nederland van beneden de Grote Sloten zich massaal overgaf aan de jaarlijkse terugkerende verkleedpartij die carnaval heet. Ik ben er niet van. Eén keer heb ik, verkleed als degradatiespook, de polonaise gedanst op de carnavalsavond van mijn voetbalclub, de rooms-katholieke sportvereniging GDA, waarvan het eerste elftal dat seizoen stijf onderaan stond. Ik won met mijn vermomming de eerste prijs: een heel lot in de Staatsloterij. Na afloop van het hossen in de parochiezaal heb ik langdurig staan zoenen met een boerin, onder het afdakje van de zijingang van de Onze Lieve Vrouwe Tenhemelopnemingkerk.
Er viel geen geld op mijn staatslot en met de boerin is het ook niks geworden.

waarin ik tussen sluimer en slaap in gedachten een verhaal schreef, de eerste aflevering van wat een serie verhalen voor jonge kinderen moet gaan worden, waarin ene Arie bij de banketbakker een taart bestelt, waarop de bakker vraagt of het voor een verjaardag is. Dan schrijf ik er gefeliciteerd op.
Het is een verrassing, antwoordt Arie. Schrijf ik dat erop, zegt de bakker.
Thuisgekomen zet Arie de taartdoos op tafel.
Taart? zeggen zijn ouders, wie is er jarig dan?
Niemand zegt Arie. Het is een verrassing. Kijk maar, het staat erop.
Hij haalt de taart uit de doos en zijn ouders lezen:verassing.
Stom, zegt Aries vader, maar Aries moeder denkt te weten waarom de bakker het woord verrassing verkeerd heeft gespeld.
Zijn vrouw is onlangs overleden, zegt ze. Ze is gecremeerd.
Ik denk niet dat het een serie wordt.

JINX Dit was de week (42)

waarin ik in de Volkskrant een interview las met Jeroen Brouwers die van Arjan Peters de vraag krijgt voorgelegd of hij een redacteur heeft.
Wat zou die komen doen dan?  wil Brouwers weten, waarop Peters antwoordt: Halverwege zeggen: het moet anders.
Brouwers: Daarom wil ik geen redacteur.

Ik heb redacteuren in alle soorten en maten gehad, zo was er een die zei dat ik van mijn hoofdpersoon, een jongen,  een meisje moest maken.
Why?
Jongens lezen niet, meisjes wel, was het antwoord.
En dan was er die redacteur die nooit meedacht met mijn verhaal , maar wilde dat ik een ander verhaal schreef, namelijk dat van hem.

Mist heet mijn nieuwe boek, het ligt bij de drukker, zorgvuldig geredigeerd.
Godzijdank.
De redacteur heeft het beste uit mij en mijn verhaal gehaald, meestal door vragen te stellen, waarna ik aan de hand van de vragen aan het herschrijven ging tot mijn verhaal intrinsiek klopte.
Op één vraag had ik geen antwoord, waarom ik de hond in Mist Jinx heb genoemd. Zat daar een diepere betekenis achter?
Die was er niet. Ik vond Jinx een geschikte naam voor een hond, meer  niet, tot ik onlangs het woord googlede en las dat Jinx zoveel betekent als onheilsbrenger of vloek.
Een betere naam had ik niet kunnen verzinnen.  

MOORTJE Dit was de week (41)

Waarin de moorkop trending topic was op Twitter en ik moest denken aan mijn oma van moeders kant. Zij woonde een paar huizen van ons vandaan, met haar vrijgezelle zoon en haar kat, die zoals alle katten die mijn oma in haar leven heeft gehad zwart waren en door haar Moortje werden genoemd.
Wij thuis hadden geen kat, dus ging ik zo nu en dan bij haar op bezoek om Moortje te aaien, en natuurlijk ook voor een glas zoete limonade en een bruine brok uit het groene trommeltje. ‘Eerst je handen wassen,’ zei ze als ze mijn vuile handen zag. ‘Je ziet er uit als een Turk.’
Mijn oma hield van wit en schoon, meer moet je er niet achter zoeken, maar had ze nu nog geleefd was ze met haar tijd meegegaan en had ze ook haar taal gekuist.
‘Iemand nog een chocobol?’

Waarin de Dood haar messen weer eens sliep...

MISTER ED Dit was de week (40)

Waarin ik lezend in mijn vaders hand van Bart Chabot teruggeworpen werd in de tijd en weer op de ulo in het Westeinde zat.
Collega-Hagenaar Chabot zat in dezelfde periode op de mulo in de Van der Parrestraat waar hij Duitse les kreeg van Hogenelst  die vanaf dag één de pik op hem heeft. 
Chabot moet voor de klas komen en vijf vanuit het Duits vertaalde zinnen op het bord schrijven, waarna de leraar Duits de klas toespreekt:  ‘Kijk goed, jongens en meisjes (…) Dit nu… is het handschrift van een psychopaat.’
Mijn leraar Duits was een leraar Frans. Hoe hij heette weet ik niet meer, iets met Duiven, Duivendak of Duivenvoorde. Ed heette zijn slachtoffer, Ed M. een ongunstige jongen met pukkels, een slecht gebit en gelige tanden, De leraar Frans riep hem voor een mondelinge overhoring naar voren, op alle vragen had Ed het goede antwoord, hij had zijn huiswerk goed geleerd en mocht weer gaan zitten, maar pas toen de leraar hem als volgt toesprak:  ‘Beste Ed, als je ’s morgens weer eens je tanden poetst , doe dat dan net als ieder beschaafd mens met tandpasta en niet met koeienmest.'
Bart Chabot wordt bij het uitgaan van de school door zijn klasgenoten bemoedigend op de schouder geklopt, ze stonden vierkant achter hem:  ‘Wat ik waardeerde; maar in de klas had geen van hen een mond opengedaan.'
Ook wij hadden het, laf als we waren en bang het volgende slachtoffer van de leraar Frans te zijn, niet voor onze publiekelijk voor lul gezette klasgenoot opgenomen. Keihard als we waren noemden we hem voortaan Mister Ed, naar het sprekende paard op televisie.