maart 2020

LUL Dit was de week (48)

waarin ik bij Opium op 4 via een corona-veilige verbinding geïnterviewd werd over Mist, mijn jongste roman. Interviewster van dienst was Annemieke Bosman die gaandeweg het gesprek Jacob, de hoofdpersoon van mijn verhaal, een lul noemde. Ik vrees dat ik Jacob niet afdoende heb verdedigd. Jacob, een eilandjongen met vertewee, doet dan wel lullige dingen, maar is daarmee nog geen lul. Hij voelt zich gekooid op het eiland, zijn vader is overleden, zijn ex-vriendin zwanger en hij wordt op zijn nek gezeten door een bemoeizuchtige oom in wiens ogen hij geen goed kan doen. Geen wonder dat hij uit wil breken en af en toe met geweld tegen de tralies opvliegt.
Zoiets had ik bij Opium op 4 willen zeggen. Helaas, ik maakte de opmerking Jacob is een lul, af met een grap door te zeggen dat ik weliswaar Koos heet, maar voluit Jacobus, Jacob dus. Hoe autobiografisch wil je het hebben?
Later die week belde de postbode aan. Hij had het gesprek op de radio gehoord, of hij een exemplaar van Mist bij me kon kopen. Met handtekening.

DE SNEEUWBUI: Dit was de week (47)

Waarin ik om er even tussenuit te zijn een fietstocht door de polders boven Utrecht  maakte. Meestal fiets ik in mijn eentje, maar afgelopen woensdag werd ik vergezeld door H, een vriend die ik al ken vanaf de havo in Den Haag.
Het gesprek kwam onvermijdelijk over het Corona-virus.De sfeer in het land deed ons allebei denken aan de unheimische sfeer in een kort verhaal van Ward Ruyslinck dat we, diep in de vorige eeuw klassikaal gelezen hebben bij het vak Nederlands en dat klaarblijkelijk zoveel indruk op ons had gemaakt dat we het ons 50 jaar later nog wisten te herinneren.
We konden allebei niet meer op de titel komen. Zwarte sneeuw, dacht H. Ik hield het op Bikkel.
Thuisgekomen lukte het me het verhaal op mijn computerscherm tevoorschijn te googelen. De sneeuwbui heet Ruyslincks verhaal dat met deze alinea opent: Op een morgen in mei begon het plots te sneeuwen. Niet zo maar een paar onschuldige vlinderende vlokjes, maar een flinke bui waar men nauwelijks doorheen kon zien. Er was geen wind en de sneeuw viel loodrecht neer en bleef liggen, als pas gespoten brandschuim. De mensen dachten dat ze droomden: het was wel heel ongewoon, zo'n pak sneeuw in mei.
De sneeuw blijkt radioactief te zijn, de scholen worden gesloten, de  kinderen naar huis gestuurd. Eén van hen is Bikkel (!), die op weg naar huis ‘zwarte pakjes’ in de sneeuw denkt te zien liggen. Het blijken dode vogels te zijn. Bikkel zelf is ook aangetast. Het verhaal eindigt in een koortsdroom waarin Bikkel zich ontfermt over een zieltogende vogel: Bikkel hurkte bij hem neer. ‘Arme vogel,' fluisterde hij, `heb je pijn? ik heb ook pijn, in mijn nek, maar daar ga je niet dood van,’ herhaalde hij steeds weer.’
Een vergeefse bezwering de dood van de vogel en uiteindelijk die van hem zelf op afstand te houden.
En dan ga ik nu maar eens Decamerone herlezen.

DOUZE POINTS: Dit was de week (46)

waarin op Facebook, Instagram en Twitter van-je-hela- hola-houd- er- de-moed-maar- in filmpjes voorbijkwamen van zingende Italianen.
In Florence, Siena en op Sicilië stonden ze op het balkon hun buren luidkeels moed toe te zingen.
Wat mij betreft heeft Italië, of het nu doorgaat of niet, het songfestival nu al gewonnen. L’Italie, douze points.  

ONBEWOOND EILAND Dit was de week (45)

waarin een van de kassières van Albert Heyn in winkelcentrum De Gaard in Utrecht bloemen kreeg van haar filiaalchef. Het was haar laatste werkdag, ze ging met pensioen. Of haar plaats wordt opgevuld is nog maar de vraag. De kassières worden een voor een vervangen door machines: de zelfscankassa.
 Als de rij voor de kassa met daarachter een mens van vlees en bloed te lang wordt, wijst een medewerkster van Albert Heyn de wachtende klanten erop de boodschappen ook op die manier af te kunnen rekenen, en staat daarmee ironisch genoeg haar eigen werkeloosheid te verkopen.
In Letter & Geest van Trouw van zaterdag 7 maart vraagt Seije Slager zich af wat er nou erg is aan zelfscankassa’s.
Alles.
Ik citeer: 'Het samenleven in de stad wordt geschraagd door duizenden kleine ontmoetingen, die op zichzelf gezien onbeduidend lijken, maar die tezamen een school vormen in omgangsvormen in gemeenschapszin . Daar horen ook de beleefdheden  die je aan de kassa uitwisselt.’
Stumpers zijn we, allemaal op weg naar niets met niemand. Een robot als thuishulp, een theezakje dat je vragen stelt (Wie neem je mee naar een onbewoond eiland?) een zelfscankassa als kassière.
Dat scheelt toch mooi een bos bloemen. Ping, ping, kassa!

SNEEUWKLOKJES Dit was de week (44)

waarin ik bedacht dat het woord sneeuwklokje gerust kan worden afgekort tot klokje, sneeuw valt er in Nederland de laatste jaren niet of nauwelijks, en echt koud wordt het ook niet meer. Hoe anders is dat elders in de wereld, in het oosten van Turkije bijvoorbeeld waar Afghaanse vluchtelingen op zoek naar een beetje warmte groot risico lopen om te komen in de sneeuw en de kou.
De sneeuw smelt, de doden worden zichtbaar, is de kop van een ijzingwekkend verhaal van Melvyn Ingleby in Trouw van zaterdag 29 januari.  Ik citeer: ‘Op zijn telefoon laat advocaat Kacan de gruwelijke filmpjes zien die hij vanaf de grens doorgestuurd krijgt. Een lijk met paarse winterjas en zwarte sportschoenen ligt in een beekje. Uit de kraag hangt een uitgevreten schedel.’
Het verhaal deed me denken aan de sneeuwklokjes in Rusland, zoals doodgevroren zwervers worden genoemd die in de lente,als de dooi heeft ingezet weer tevoorschijn komen.
Wat je niet ziet dat is er niet, totdat de sneeuw smelt.