Schrijfblok

MET POTLOOD Dit was de week (62)

Waarin ik voorzichtig aan een nieuw boek ben begonnen. Ik had de uitgever op bezoek en liep met haar een lijstje langs met negen verhaalideeën. Al pratend diende zich een tiende idee aan, een boek over het leven van kinderen die in de jeugdliteratuur niet vaak aan het woord komen, en dan bedoel ik niet zwarte kinderen of lhbti kinderen, maar kinderen uit volkswijken. Opzouten Merel en Splinter, ruim baan voor Wesley en Samantha.
Vooralsnog beperk ik me met antwoord geven op vragen als: wie zijn de hoofdpersonen, in welk persoonsvorm ga ik het schrijven en wat is in grote lijnen het verhaal. Daarna volgt het moeilijkste gedeelte: beginnen met schrijven. Ik kan daar nu al tegenop zien, iets waar meer schrijvers last van hebben.
Ann Tyler, schrijfster van onder andere Dinner at the Homesick Restaurant en het recent verschenen Redhead by the side of the road, heeft er zelfs een uitgesproken hekel aan, lees ik in de Volkskrant van 4 juli, ze ziet zichzelf als poppenspeler, schuivend met haar personages: Ik laat ze iets willekeurigs doen en het is alsof ik mezelf een leugen vertel en mezelf probeer te overtuigen: hij zou dit kunnen doen, o nee, dat slaat nergens op, dat zou hij nóóit doen. Tot het moment komt – en het kan enkele maanden duren, misschien zelfs twee, drie hoofdstukken lang –dat het ineens is alsof de personages uit zichzelf gaan bewegen.
Mijn personages  beginnen pas na twintig pagina’s voor zichzelf, voor mij de magische grens waarop een verhaal levensvatbaar is. Tot die tijd schrijf ik alles onder voorbehoud.
Met potlood.