Dit was de week (30)

Waarin ik het gedicht Telefoon voorlas  van Kornej Tjoekovski. Ik las het voor in onze werkruimte  tijdens een zogenaamde eetlezing. Twee keer per jaar nodigen Annette Fienieg en ik een aantal collega-schrijvers uit die we in ruil voor een maaltijd (Annette kan goed koken, ik kan goed eten) vragen tussen de gangen door drie keer voor te lezen: een gedicht of lied na het voorafje, een passage uit een boek-in-wording na de hoofdmaaltijd,  en tot slot, na de toet, een favoriete passage uit eerder gepubliceerd werk.
Het gedicht Telefoon, een nonsensvers in elf genummerde strofes en vertaald door Robbert-Jan Henkes, is  het openingsgedicht uit Tijger op straat, Russische gedichten voor kinderen 1923-1941 (Hoogland & Van Klaveren, 2009). Het is een van de drie bundels die ik genoemd heb voor de tiplijst Poëzie voor basis- en voortgezet onderwijs, die kinderboekenambassadeurs Hans en Monique Hagen begin volgend jaar bekend zullen maken.  Ik noemde Tijger op straat als tegenwicht tegen zoetweeïge kinderpoëzie die van kusje naar kusje huppelt, waaraan ik (ik beken) me ook weleens schuldig heb gemaakt.
In Telefoon (Tring- tring!/De telefoon ging) wordt er tot vervelens toe opgebeld, o.a. door een krokodil, die ‘dikke krokodillentranen huilt:

Hou op met huilen en pruilen
En zeg wat je wil!
-Laarzen, mijn lieve, mijn beste Kornej,
Snikte hij, laarzen,
voor mijn vrouw
                        en  mijn kind
                                           en voor mij.
-Wacht eens even,
Vorige week toch
Heb ik jou nog
Twee paar laarzen gegeven?

-Ach, dat was ik bijna vergeten,
Die hebben we allang opgegeten,
En nu wachten we maar
Op een stuk of twaalf paar
Nieuwe voor ons avondeten.   
                        

Heerlijk, de zuurstokkengevoelens in de ijskast en ruimbaan voor onzin, als omarming van ons absurde bestaan.

tijger op straat
Vorige schrijfblok:  Dit is de week (29)   |   Volgende schrijfblok:  Dit was de week (31)

Geef een reactie