Eilandkind

Toen ik werd geboren (weliswaar in Harlingen) woonden mijn ouders op Vlieland. Een eiland met slechts één dorp, een hechte gemeenschap. Van de net afgestudeerde Amsterdamse jongelui die mijn ouders waren werd verwacht dat ze meededen in het dorp, hun best deden om opgenomen te worden in die kleine gemeenschap. Door gelijk contact te maken met de eilanders, door lid te worden van de verschillende verenigingen en door mee te doen aan het sociale leven op het eiland werden ze onderdeel van de eilandgemeenschap. Een paar jaar later vertrokken ze met twee eilandkinderen én met pijn in hun hart weer naar de wal toen het wetenschappelijke onderzoek naar steltlopers dat mijn vader op Vlieland deed was afgerond.
Ik ben een eilandkind en dat ben ik altijd gebleven, zo voelt dat tenminste, zelfs nu ik er nog maar zelden kom. Opgroeien op een eiland, leven op een eiland is anders, is speciaal. Zodra ik de zee ruik, het strand zie (en daarmee de rand van mijn huidige wereld), of op de boot stap: het eilandgevoel is direct daar.

Misschien is Koos Meinderts niet opgegroeid als eilandkind. Maar kennis van én liefde voor het eilandleven spreekt aan alle kanten uit zijn prachtige nieuwe roman ‘Mist’ waarin hij het eilandgevoel op meesterlijke wijze onder woorden weet te brengen.

Voor Jacob, de jongen die het eiland voor ons tot leven brengt, is het vooral een beklemmend gevoel. Hij wil zo snel mogelijk weg van het eiland dat hem beperkt, dat de loop van zijn leven lijkt te willen bepalen en dat hem zijn lot uit handen neemt. De horizon is zijn uitweg, maar van een eiland kan je nooit ‘zomaar’ weg.
Lucia, een klasgenoot en vriendin die wel de kans krijgt aan wal naar school te gaan, kan juist daar haar draai niet vinden. Haar heimwee naar het eiland is zo sterk dat zij de kans, het eiland achter zich te laten, aan zich voorbij laat gaan en teruggaat.
En dan is er nog Maria, de ongrijpbare Maria, die haar redding zoekt op het eiland. Voor haar moet het eiland een houvast, een stevige grond zijn, waarop ze haar demonen te lijf kan gaan.  

Met Jacob, Lucia en Maria weet Koos Meinderts ons deelgenoot te maken van het leven op het eiland. Het dagelijks leven dat natuurlijk niet zoveel verschilt van het dagelijks leven in een dorp aan de wal. De kinderen gaan naar school, de visfabriek draait en de schapen grazen op de weiden. Maar er is ook de zee, de zee die geeft maar ook neemt om maar eens een cliché te gebruiken. Voor Lucia is het eiland haar toekomst, de weidsheid van de zee, het open karakter van het landschap geeft haar lucht en biedt haar vrijheid. Maar Koos Meinderts weet vooral goed Jacob’s gevoel op te roepen dat het eiland beklemt, beperkt en je tegenhoudt. Hij laat zien dat een eiland je nooit zomaar los zal laten, dat het aan je blijft trekken en dat je, mocht je vertrekken, als drenkeling weer zal aanspoelen op de kust van jouw eiland. Welke ‘eiland’ dat voor jou persoonlijk ook mag zijn. Daarmee is het eiland uit dit verhaal niet alleen het eiland van Jacob maar ook een metafoor voor een ieders ‘eiland’.
Of het Jacob uiteindelijk zal lukken om zich van de kracht van de branding te ontdoen en van het eiland te vertrekken blijft ook na de laatste bladzijde een vraag.  

Grote en kleinere thema’s die de mensen op het eiland bezig houden weet Koos Meinderts op een subtiele manier voor het voetlicht te brengen. Leven en dood, vriendschap, eenzaamheid en zelfverkozen kluizenaarschap vinden elkaar in poëtische, maar nooit hoogdravende taal. Daar zit de kracht van dit boek, de taal maakt het verhaal geloofwaardig; de dialogen kloppen en je kan meegaan met al die eilanders die je, gedurende het lezen, dierbaar worden. Daarnaast is er zoveel herkenbaars, ook voor hen die niet opgroeiden op een eiland maar er wel eens een fijn weekend doorbrachten: de schapen, de eilandfeesten, de scheepshoorn van de veerboot die bij vertrek van het eiland altijd toetert (3x ‘Ik-Ga-Weg), de dijk en het dorp.

Jacob, de jongen die zichzelf zo in de weg zit, die alleen de horizon als uitweg ziet lijkt misschien de hoofdpersoon van dit boek. Maar het eiland dat zichzelf af en toe volledig in Mist hult, waar geen vat op te krijgen is, het eiland waarop je wordt teruggeworpen door een golf die slaat op de rotsen, het eiland dat nooit zal toestaan dat je helemaal loskomt van de grond waar je opgroeiende en van de mensen met wie je opgroeide; dát eiland is de echte hoofdpersoon van dit boek.

 Nienke Willemsen 

Vleuten, 8 april 2020

Vorige schrijfblok:  HET WOORD VAN GOD Dit was de week (49)   |   Volgende schrijfblok:  HOTEL DE HEMEL Dit was de week (50)

Geef een reactie